Skip to main content

Vrijheid. Nou, en?

“Homoseksuelen zijn geen lafaards!” Deze vier woorden, kalm, duidelijk en vastberaden uitgesproken, vormen de laatste boodschap van Willem Arondeus, seconden voordat een nazi vuurpeloton in juli 1943 een einde aan zijn leven maakte. Het was een boodschap aan zijn beulen, aan de dragers van een ideologie die het laagste uit mensen haalde en die tegenstanders ontmenselijkte. Een ideologie door miljoenen gedeeld, door nog meer miljoenen gedoogd of genegeerd, een ideologie die Europa in een maatschappelijk, moreel en economisch verderf stortte.

Maar die 4 woorden zijn ook een boodschap aan ons, aan de erfgenamen van Willem Arondeus en zijn heldenmoed. Wij die niet alleen erfgenamen mogen zijn van deze heldenmoed, maar ook van het falen van onze samenleving. Wij hadden kunnen voorkomen dat een verderfelijke ideologie zich wist te nestelen in de harten en de hoofden van miljoenen Europeanen. Niet alleen de slachtoffers waren mensen als u en ik, de daders ook. Wegkijken van de daders doet de slachtoffers tekort.

Het is voor mij een eer om voor u te mogen spreken over Willem Arondeus, een man die de moed had onvoorwaardelijk zichzelf te zijn en daar de ultieme gevolgen van onder ogen te zien en zelfs te omarmen. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen, vandaag, hoe het geweest moet zijn om aan het begin van de vorige eeuw openlijk je homoseksuele geaardheid te beleven. Voor zijn ouders, zelfs voor zijn beste vrienden was zijn ‘coming out’ moeilijk in een tijd dat over homoseksualiteit alleen zeer negatief werd gesproken. Het beste dat homo’s in die tijd kon overkomen is dat zij genegeerd werden. Willem Arondeus nam geen genoegen met goedbedoeld wegkijken, hij ging voor de wereld staan met een houding: “dit is wie ik ben, ik accepteer wie ik ben, nu jullie nog”. 2/9

Willem Arondeus werd vermoord omdat hij samen met een groep van de Raad van Verzet op 27 maart 1943 een succesvolle aanslag pleegde op het bevolkingsregister aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan.

Hij werd verraden en een week later samen met een aantal andere leden van de groep gearresteerd. Doel van de aanslag was om te voorkomen dat de Duitsers zouden ontdekken dat veel Joden dankzij Arondeus en het verzet valse identiteitsbewijzen hadden gekregen. Waarom zette Arondeus zijn leven op het spel voor deze Joden? Uit medemenselijkheid? Omdat hij onrecht wilde bestrijden? Misschien ook omdat Joden net als homo’s werden ontmenselijkt door de nazi’s. Zij werden vervolgd om wie zij WAREN niet om wat zij DEDEN. Zij werden vervolgd omdat zij niet mochten zijn wie zij zijn, omdat hun menselijkheid werd verloochend. Waarom dit gebeurde en vooral ook hoe dit gebeurde, verdient onze nimmer aflatende studie en aandacht.

De essentie van de Tweede Wereldoorlog is voor mij de ontmenselijking van een grote groep mensen met als gevolg de industriële vernietiging van Joden, Roma en Sinti, homo’s.

Totalitaire dictaturen leven bij de gratie van een allesverzengend vijandbeeld. Totalitaire ideologieen, al dan niet op godsdienst gebaseerd, gaan uit van een ‘absoluut gelijk’. Wie dat absolute gelijk niet deelt of zelfs afwijst, verdient geen plaats in de samenleving, heeft geen bestaansrecht. Is dus in feite geen mens en kan dus ook zonder probleem uit de mensheid worden verwijderd. Alsof je onkruid tussen de gewassen uithaalt. Joden, moslims, zigeuners, katharen, homo’s, albigenzen, ketters, papen, noem maar op. Een groep, het moet om een groep gaan met gemeenschappelijke kenmerken die als bedreigend en onaanvaardbaar worden bestempeld. Maak van ‘deze man’ eerst ‘een Jood’ en plaats hem vervolgens bij ‘de Joden’ en de eerste stap naar ontmenselijking is gezet.

Totalitaire regimes denken altijd in categorieën, in groepen. Elie Wiesel zegt ook: het begint ermee dat je mensen niet als individuen behandelt maar in een groep plaatst, en die groep dan vervolgens van karaktertrekken voorziet: “joden zijn gierig”, “moslims zijn niet vertrouwen.” Dat soort algemene kreten, die vervolgens 3/9

tot stereotypen worden. En een stereotype leidt ertoe dat je het individu niet meer als individu ziet en dus begint met de ontmenselijking van die persoon.

Het herdenken van de Tweede Wereldoorlog, en van het onrecht waar Arondeus tegen streed, is cruciaal om met ons verleden om te kunnen gaan en de fouten in te zien die in het verleden gemaakt zijn.

Herdenking is nu meer nodig dan ooit. Wij zien dat de Tweede Wereldoorlog steeds minder de plaats van levende herinneringen inneemt, simpelweg omdat de generatie die de jaren ’30 en de oorlog als volwassenen hebben meegemaakt ons stilaan aan het verlaten is. Daarmee staan we nu op het omslagpunt waarbij levende herinnering geschiedenis wordt. Afstand in tijd heeft het zelfde effect als afstand in ruimte: zaken verdwijnen uit zicht, bedreigingen worden minder acuut waargenomen.

Vandaag wordt ons oude continent weer in de moeizaam opgebouwde waarden bedreigd. De afstand tot onze vroegere fouten neemt toe, daarmee ook het risico op herhaling. Het vervelende van herhaling in de geschiedenis is dat deze altijd in andere verschijningsvormen plaatsvinden en dikwijls pas als herhaling worden herkend als het te laat is. “Ja, maar deze keer is het echt anders” is door de eeuwen heen waarschijnlijk de meest gebruikte formule in de psychologische alchemie die zinsbegoocheling heet.

Het lijkt deel te zijn van de menselijke natuur om wanneer het wat minder gaat, op zoek te gaan naar een zondebok. Een groep mensen die we de schuld kunnen geven. Een groep mensen die wij apart kunnen zetten. De intolerantie groeit, waarna een wisselwerking van uitsluiting en zelf-isolatie tot fragmentatie van de samenleving leidt. En door de eeuwen heen zijn het altijd de Joden die in Europa als eersten aan de beurt zijn.

Een paar maanden geleden bezocht ik een vriend van mij in Parijs, Robert Badinter. Als joodse jongen had hij zelf de Jodenvervolging en antisemitisme in Frankrijk mee gemaakt. Op de muren van Parijs stond “Dood aan de Joden”. In radioprogramma’s werd gesproken over joden als de “ratten van de menselijkheid”. En hij zei tegen 4/9

mij: “er is iets aan de hand, in de Europese samenleving, wat ik niet voor mogelijk had gehouden twintig jaar geleden. Ik hoor in Parijs dezelfde kreten weer op straat. Ik hoor weer het antisemitisme opkomen. Het kan weer. We zijn dus vergeten waartoe dit leidt.”

Het is onaanvaardbaar, dat ook in Nederland, joden nageroepen worden als ze herkenbaar als jood in het straatbeeld zijn. Het is onaanvaardbaar, dat joden denken: “ik zal maar niet met een keppeltje op de straat op gaan”. Het is onaanvaardbaar, dat moslimmeiden hun hoofddoekje maar afdoen als ze naar school gaan, omdat ze geen zin hebben om nageroepen te worden of uitgescholden te worden.

Antisemitisme is een eeuwenoud fenomeen met geheel eigen kenmerken. De grootste filosofen hebben er hun hersens over gebroken, sommigen hebben zich er zelfs in ernstige mate aan bezondigd, zoals de weer in mode geraakte Voltaire, allerwege gepromoveerd tot kampioen van het vrije woord (waarbij ik mij soms afvraag of de gretigheid waarmee dit gebeurt wel gepaard gaat met gretigheid om te lezen wat hij nu daadwerkelijk heeft geschreven, maar dit terzijde). Ik wil mij niet mengen in dat debat en houd het graag praktisch. Als mensen aangevallen worden om wie ze zijn en niet om wat ze doen, is er sprake van discriminatie. Vandaag overkomt dat in delen van Europa joden, moslims, christenen, homo’s, Roma en Sinti. De onverdraagzaamheid en discriminatie nemen toe. Over de gevolgen van die toename, als deze onbestreden en onbeantwoord blijft, hoeven we ons geen illusies te maken. Zoals gezegd: “deze keer is echt anders” roepen is onszelf iets wijsmaken.

Wij hoeven niet allemaal één te zijn. Juist die diversiteit in de samenleving maakt dat wij meer over onszelf leren.

Iemand die de waarde van diversiteit in de samenleving uitstekend uitdrukt is Albert Camus. Albert Camus zei dat een beeldhouwer een beeltenis nodig heeft. De mens wordt pas zichzelf als hij bereid is de wereld door de ogen van een ander te zien. 5/9

Door andermans ogen kijken wil niet zeggen dat je het altijd eens bent met andermans bril. Het betekent tolerant zijn naar andermans gedachten en je hierin proberen te verplaatsen. De beste gesprekken die ik voer zijn de gesprekken waarin ik het met de ander oneens ben. Het doel van een dialoog is niet om het allemaal met elkaar eens te zijn. Het doel van een dialoog is om de positie van de ander te begrijpen, te respecteren, en hier verder over te reflecteren.

Camus zegt dat alleen de ander ons kan laten zien wie we zijn, maar alleen wijzelf dragen de verantwoordelijkheid voor het goed benutten van onze vrijheid. Het gaat er dus om als individu en als samenleving een juiste balans te vinden tussen “ik” en “wij”.

Antisemitisme, afkeer van moslims, homohaat, op religieus fundamentalisme of politiek extremisme gebaseerd geweld, decennialang waren het in Europa sluimerende ziekten die af en toe de kop opstaken. Vandaag zijn deze kwalen, is dit kwaad aan een brede opmars bezig. Tegen de achtergrond van een diepe economische crisis, van wereldwijde paradigmawisselingen, zowel economisch, politiek, sociaal als, soms, moreel. De wereld is een plaats vol gevaren en onzekerheden geworden en onze reactie daarop, zeker als we ons in ons bestaan en in onze waarden bedreigd voelen, is navenant heftig. De bedreiging moet een gezicht krijgen en dat gezicht is zelden van individuen alleen, maar wordt op de groep als geheel geplakt.

De vraag is natuurlijk hoe hierop te reageren. Wat nu wordt getest is onze bereidheid voor de waarden die wij koesteren en delen op te komen, deze te verdedigen tegen oude en nieuwe bedreigingen, deze in de harten en hoofden van onze burgers te verankeren. En bij deze waarden hoort dat we minderheden en andersdenkenden ontzien en respecteren.

De filosoof Theodor Adorno heeft in zijn niet altijd even toegankelijke maar altijd even boeiende oeuvre juist die vraag opgeworpen. Hoe voorkomen we vervreemding van onze fundamentele waarden? Uiteindelijk is zijn antwoord eenduidig: door niet te vergeten, door de waarde van herinneren in te zien. Zonder 6/9

de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, maar dan vooral ook de aanloop naar die oorlog, beseffen wij onvoldoende waartoe een sluipend proces van intolerantie, een onweersproken campagne van leugens, een langzame ontmenselijking van wie anders is kan leiden.

Kent u de schrijver Joseph Roth? Zo niet, is het de hoogste tijd dat u hem leert kennen. Zijn oeuvre sprankelt van helderheid, verleidt door menselijkheid, beklemt door het alomtegenwoordige voorgevoel van een grote kladderadatsj. Joseph Roth zoop zichzelf het graf in nog voordat de oorlog uitbrak. Hij schreef dus over het toenemende antisemitisme, de aangekondigde ontmenselijking zonder de afloop te weten. Dat is bijzonder waardevol, want meestal wordt over de jaren ’30 geschreven in het volle besef van hoe het afliep. En dan heeft natuurlijk iedereen het aan zien komen. Veel te gemakkelijk. Roth stelde een feilloze anamnese voordat de patient aan de haatkanker bezweek. En wat stelt hij vast, althans, hoe lees ik hem? Het is niet de haat van de grote schurken en de kleine boeven die hun handlangers zijn, waar de samenleving onder bezwijkt. Het is de onverschilligheid van de meerderheid van de mensen die de ontsporing van de gehele samenleving mogelijk maakt. En is dit niet ook onze grootste uitdaging nu: ons gevecht met de eigen en de algemene onverschilligheid? Zijn we niet een ‘nou, en?’ samenleving geworden?

Onverschilligheid begint daar waar, wat we horen en wat niet deugt, niet wordt tegengesproken. Dat we denken, “laat maar”. Dat we denken “het gaat wel over”. Dat we denken “dat zijn zij, dat zijn wij niet, wij zijn mensen die het goede denken” en dat we het laten zitten.

Laten we eerlijk zijn, decennialang hebben we gedaan of tolerantie en onverschilligheid hetzelfde zijn. Maar tolerantie faalt als het neerkomt op wegkijken. Tolerantie kan alleen bestaan bij actief en betrokken burgerschap. Als men bereid is de moeite te nemen door de ogen van die ander te kijken, of die ander nu jood, homo, moslim, Roma, wat dan ook is. Samenleven is meer dan alleen naast elkaar bestaan. Het gaat ook om samen iets doen. Onverschilligheid begint ook in het onderwijs als we onze kinderen niet meer voldoende opvoeden in 7/9

burgerschap. In het rekening houden met elkaar, in het respecteren van iemand omdat die ook het recht heeft om anders te zijn. Overigens: actieve tolerantie betekent ook dat je niet alleen protesteert en in actie komt als jouw geloof, jouw groep, jouw gemeenschap wordt aangevallen. Willem Arondeus verzette zich tegen de jodenvervolging omdat hij het patroon zag: ontmenselijking stopt nooit bij 1 minderheid, bij 1 groep. Natuurlijk is bij ieder mens het hemd nader dan de rok, natuurlijk kom je het eerst in beweging als je zelf aangevallen wordt. Maar ik zou weleens wat vaker moslims willen horen die boos worden als een jood wordt uitgescholden of joden willen zien protesteren als een moslima haar hoofddoek niet durft te dragen. Ik zou wat vaker het voorbeeld gevolgd willen zien van pater Frans van der Lugt, ruim een jaar geleden vermoord in Homs, die weigerde van een barbaarse oorlog een godsdienstoorlog te maken en die nooit naar achtergrond of geloof keek als hij mensen in nood kon helpen.

Waarom laat IS een deel van onze jongeren dromen over een heldendood en een beloning in het hiernamaals en zijn wij niet in staat deze jongeren te laten dromen over een samenleving waar recht voor iedereen geldt en iedereen de kans krijgt met zijn talenten en mogelijkheden te woekeren? Omdat we onze droom niet verwoorden? Omdat we zelf niet meer in onze droom geloven? Waarom kijken we zo vaak weg als een puber een meisje op straat met ‘hoerrr’ naroept? Eenzelfde puber die waarschijnlijk op de vuist gaat als hij denkt dat iemand de eer van zijn zus of zijn moeder aantast? Waarom gaan liefhebbende zonen en broers, die alles voor hun moeders en zussen overhebben, naar Syrie om daar vrouwen als voorwerpen te behandelen die ze mogen gebruiken, levenslang beschadigen, doden? Iedere keer denk ik weer: hier is het aloude proces van ontmenselijking aan het werk.

We moeten weerbaarder worden. Haat bestrijden die nu alle ruimte krijgt om zijn dodelijke gif via internet te verspreiden. Goebbels wist: een leugen goed genoeg verteld en voldoende herhaalt wordt waarheid in de hoofden van mensen. Op internet zie je dit dagelijks gebeuren en we zullen een strategie moeten vinden niet om internet te beperken, maar om met providers en anderen te zoeken naar de beste manier om het internet te vaccineren, zodat de verspreiding van het gif dat haat heet kan worden ingedamd door er de waarheid beter tegenover te stellen. 8/9

Altijd zijn extremisme, geweld en criminaliteit goede vriendjes van elkaar. Dat was met de fascisten in Italie en Spanje zo, dat was zo met de nazi’s en dat is zo met fundamentalisme. Die collusie bestrijden door harder criminele netwerken aan te pakken, radicalisering in de gevangenissen tegen te gaan, veel beter internationaal samen te werken, is zeer dringend nodig.

Een samenleving die geen gemeenschap is, valt uit elkaar. De grootse verworvenheid van de afgelopen eeuw is de gegroeide individuele vrijheid. Als ik bedenk hoe onvrij mijn grootouders waren, onvrij doordat zij opgesloten zaten in een maatschappelijk, religieus en moreel keurslijf, sta ik versteld van wat in de Nederlandse samenleving, gedurende de ruim halve eeuw dat ik nu leef, is bereikt. Dat het gevoel van gemeenschap daardoor veel zwakker is dan toen, is een logische ontwikkeling. Maar het mag ons niet overkomen dat dit gevoel zo zwak wordt dat mensen haast niets meer met anderen delen en dus ook haast niets meer van anderen begrijpen, laat staan voor anderen voelen.

Anderhalf jaar geleden, op bezoek in een museum in Warschau zag de foto van Deddie Zak en zijn nichtje Liesje. In een flits dacht ik: “he, dat is onze Max!” Blauwe ogen, blond haar, oren die een beetje naar buiten staan en vooral een open en vrolijke blik die nieuwsgierig is naar wat de wereld allemaal te bieden heeft.

Maar Deddie is 69 jaar voor Max geboren in Amsterdam en woonde in de Uiterwaardenstraat. Zijn vader Simon was koopman, zijn moeder Judith huisvrouw. Deddie had nog iets gemeen met Max. Zijn ouders waren bezorgd dat hij misschien zou verdwalen, dus daarom droeg hij zo’n metalen naamplaatje om zijn nek met zijn naam en adres erop.

Deddie en zijn ouders zijn in april ’43 opgepakt en naar Kamp Vught gebracht. Vervolgens met het kindertransport van Vught via Westerbork naar Sobibor waar zij door de nazi’s zijn vermoord. Het enige wat van Deddie is teruggevonden is het naamplaatje met zijn gegevens. Opgegraven in Sobibor.

Sinds vorig jaar mei heb ik Deddie regelmatig genoemd. Vanaf het moment dat ik de foto zag, daar in Warschau, is Deddie de eerste aan wie ik denk als de 9/9

Jodenvervolging, de holocaust of antisemitisme aan bod komt. Heel regelmatig, dus, want antisemitisme is helaas terug van nooit (helemaal) weggeweest.

Waarom Deddie? Niet alleen omdat hij op Max lijkt. Of omdat hij zo open en onschuldig de wereld inkijkt. Talloze onschuldige kinderen, talloze onschuldige volwassenen zijn vermoord. Misschien is het dat naamplaatje, dat ik daar zag liggen. Zo tastbaar, voor iedere ouder zo herkenbaar. Zo Nederlands ook, een adres waar je nu nog naartoe kan, in Amsterdam. En het spoor, achtergelaten op plaats delict, de nazi’s trotserend, die Deddie wilden uitwissen, iedere herinnering aan hem wilden uitwissen. Wij kunnen het plaatje zien, vastpakken, in onze hand houden zoals ook Simon, Judith en Deddie hebben gedaan.

Dat is een overwinning op de moordenaars. En een opdracht aan alle overlevenden, aan de gehele mensheid. Deddie was drie jaar ouder dan mijn ouders. Hij had nu ook vader en grootvader kunnen zijn. Hij had naamplaatjes voor zijn kinderen en kleinkinderen kunnen maken. Nu rest ons een naamplaatje als laatste getuigenis van een gezin dat werd uitgewist door een misdadig regime.

Het geeft ons de opdracht ervoor te zorgen dat de herinnering aan Deddie en zes miljoen andere onschuldige mensen, vermoord omdat ze jood waren, nooit verloren gaat.

Die herinnering doorgeven is de nazi’s en hun moorddadige ideologie verslaan. En helpt ons herhaling voorkomen. Daarom is het ook zo belangrijk dat het verhaal van Arondeus verteld blijft worden.

Vorige week heb ik voor het eerst familie van Deddie ontmoet. Zijn nichtje Lies, nu mevrouw Caransa, is trotse moeder van een zoon en een dochter, grootmoeder van vijf kleinkinderen. Lies Caransa was zo lief om haar herinneringen aan Deddie met mij te delen. Ik ben zeer vereerd dat zij vanavond hier is.

Deddie’s leven en toekomst zijn hem door de nazi’s afgepakt. Mevrouw Caransa heeft haar leven en haar toekomst rijk ingevuld, als ik zie met hoeveel liefde zij over haar kinderen en kleinkinderen praat. Liefde. Kinderen. Kleinkinderen. De ultieme 10/9

overwinning op de nihilisten, de triomf van de menselijkheid over de ideologie van de ontmenselijking.

Onlangs stemde ruim 60% van de Ieren voor openstelling van het burgerlijk huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht. Ierland, een generatie geleden nog een zeer conservatief land, heeft dezelfde ontwikkeling meegemaakt als zovele andere landen en de intolerantie jegens homo’s afgeschud. Nederland heeft hier pionierswerk verricht, iets dat mij, als lid van de Nederlandse gemeenschap, met trots vervult. De uitkomst van het Ierse referendum werd door een prelaat in het Vaticaan een “nederlaag van de mensheid” genoemd. In mijn ogen was het een overwinning van verdraagzaamheid op intolerantie, van liefde op haat en daarmee dus een triomf van de mensheid.

Hoe het ook zij, ik weet zeker dat Willem Arondeus de razendsnelle gelijkstelling van homo’s voor de wet, die in deze eeuw in grote delen van Europa en delen van de wereld heeft plaatsgevonden, als een persoonlijke triomf zou zien. Miljoenen hebben bewezen, sinds zijn laatste woorden, dat homo’s geen lafaards zijn. Maar vele miljoenen groeien nog op met haat voor homo’s en andere minderheden, vele miljoenen moeten hun onverdraagzaamheid nog overwinnen. Die strijd zijn wij verplicht te voeren en die gaan we ook met z’n allen oppakken. En ik wil Willem Arondeus danken met de woorden van zijn goede vriend A. Roland Holst, uit het gedicht De Ploeger:

” Ik zal de halmen niet meer zien noch binden ooit de volle schoven, maar doe mij in den oogst geloven waarvoor ik dien… Opdat, nog in de laatste voor, ik weten mag dat mij uw doel verkoor te zijn een ernstig ploeger op de landen van een te worden schoonheid”

 

Dank u

Frans Timmermans